in ademende tijd

Gosse A.Postma


in ademende tijd

geboorte van de ander.

Image
The other’s otherness
is what makes me feel and
makes me think what I feel

Rosalyn Diprose

Geboorte van de Ander

De mededeling: “Ik ben geboren”, roept verbazing op omdat het nogal voor de hand ligt dat ‘ik geboren ben’. Zeggen dat ik niet geboren zou zijn, lijkt een niet al te pientere opmerking… Toch is het op de keper beschouwd vreemd om te zeggen dat ‘ik’ geboren ben. Immers, het geboren lichaam was vóór de geboorte deel van een (één-)organisme. Namelijk een deel van het zwanger lichaam dat als aanstaande moeder toeleeft naar een geboorte, ofwel de deling van het ene organisme in moeder en boreling. De geboorte van …?

Gezien vanuit het ene organisme worden in die deling, of in het geboren worden, tenminste twee Anderen geboren… Pardon…? Jazeker, de boreling wordt de Ander voor de moeder en de moeder wordt de Ander voor de boreling. Beide Anderen – moeder en kind – worden zo tegelijkertijd tot elkaar in een relatie gesteld. Deze relatie is onvermijdelijk, noodzakelijk en… voor beiden niet te ontkennen. Die relatie kan alleen maar geleefd worden, zoals ook al hèt andere heeft om te gaan met die twee in relatie gestelde Anderen. Zo bekeken lijkt het dus in de eerste plaats zo te zijn dat de Ander wordt geboren, en niet de ‘ik’. Sterker nog, de Ander is de eerste persoon. Zo ook wordt de Moeder als Ander (opnieuw) geboren in het worden van de Ander voor de boreling. [Ook Vader doet dit nog eens dunnetjes over, die is er vaak ook als Ander.]

Hoe ziet die relatie tussen de Anderen er uit? Volgens de evolutietheorie dient ieder, ook de ander, het hoofd boven water te houden: over–leven heet het dan. In het één-organisme kan met het hoofd onder water worden geleefd trouwens. Echter, nu de deling of geboorte heeft plaatsgevonden lijkt er geen plek meer te zijn voor ‘gewoon’ leven. Vaak wordt vanuit het analyserende denken in oorzaak en gevolg het over–leven dan als insteek genomen, waar desalniettemin gewoon ‘leven’ het eerste is wat de Ander doet na de geboorte. Direct en tegelijkertijd begint in dat leven de Zorg voor de Ander, een zorg die op een natuurlijke wijze wederzijds is! Er is geen zorgnorm of zorgplicht voor de beide Anderen, noch voor Moeder noch voor kind. Moeder geeft het kind voeding en warmte, waar het kind de moeder ‘ontlast’ van haar moedermelk. Tegelijkertijd geeft moeder haar moederlijk gevoel dat in genegenheid door het kind wordt ontvangen: een perfect zorg–duo, wederzijds levend in zorg zonder dat er iets moet in dat gewoon natuurlijk leven. Een leven in pijn en genot, dorst en drinken, vrijheid en onvrijheid, waarin de zorg altijd wederzijds is In Ademende Tijd.

Volgroeide mensen echter –moeder dus ook– kunnen al een beetje nadenken en vooral iets van dingen vinden. Ook moeder heeft per slot van rekening al een soort zelf of ik ontwikkeld. Zij vindt inmiddels dat ik (ego of zelf) de belangrijkste persoon is –zeg maar, de eerste persoon. Hierin wordt zij gesteund door onze taal met haar ‘ik‘ als eerste persoon enkelvoud. Langs die talige weg is zij vergeten dat zij destijds als Ander werd geboren, en haar culturele maatschappelijke inbedding deed haar gauw geloven dat haar ‘ik’ als de eerste persoon zou moeten gelden –en zij maakte deze gedachte graag tot haar eigen. Dit eigen maken, waarin de gedachte een gevoel lijkt te worden, wordt ook wel ‘internaliseren’ genoemd.

Om het nog ingewikkelder te maken deed zij de ontdekking dat de Ander wel degelijk in haar eigenste lichaam is blijven wonen, onhandig weliswaar –maar toch. Want de Ander en de ik, zo bleek haar al gauw, lopen elkaar regelmatig voor de voeten. Zo doet zij dingen die zij niet wil en… wil zij dingen die zij niet doet. Wie is wie in zo’n verhaal? Wie is de Ander, wie is de ik? Zij kijkt ter verificatie in de spiegel om te kijken hoe het zit, het oog is in onze cultuur immers het belangrijkste zintuig. Maar het moet toch niet gekker worden, daar ziet zij zichzelf voor de spiegel staan: zij vraagt zich vertwijfeld af naar wie zij kijkt en zij wordt warm achter haar oren…Kijkt zij naar de kijker of naar de bekekene? Zij komt er niet uit en zoekt gauw naar de Ander buíten haar eigen lichaam: haar verkering, haar partner en de tv, want die zullen haar vertellen wie zij zien. Sterker nog, zij vertellen wie zij ís en wie zij behoort te zijn en hoe haar positie, bijvoorbeeld ten aanzien van manlief, dient te zijn. Dit elkaar vertellen en voorhouden zijn wij gewend ‘samenleven’ of ‘cultuur’ te noemen. De ene samenleving of cultuur laat de Ander echter eerder de eerste persoon, waar een andere samenleving –zoals onze (christelijk) westerse– aan gestapelde ‘ikken’ de voorkeur geeft.

Oh ja, onze boreling ‘weet’* nog van niks en is nog maar aan het begin van een ik: weg van de Ander.

*Laat het lichaam dat maar niet horen!