meer over

Els Borst lezing

Tastzintuiglijke benadering aan bod in de Els Borst lezing door Joris Slaets

Image
Image

Joris Slaets

Goede zorg vereist dwarsliggers


Ik eindig met te citeren uit het werk van Gosse Postma. Ik heb Gosse met
veel genoegen leren kennen tijdens mijn wetenschappelijk werk in Groningen. Hij is psychotherapeut in Winsum en een bijzonder erudiet man als het gaat over zorgethiek en filosofie. Zoals aangegeven bevat het antwoord op mijn vraag ‘wat is goede zorg’ twee kaders. Het eerste kader gaat over de in te vullen behoeften. Het tweede gaat over het verlangen, dat de andere kwaliteit van de zorg wil aangeven. Ik denk dat de meeste mensen wel voelen dat die twee kwaliteiten belangrijk zijn. De uitdaging voor de zorg is, zoals Gosse Postma het formuleert, om van die twee rails een spoor te maken. Tussen en onder die rails behoren de dwarsliggers te rusten, die de rails tot spoor maken. In deze tweesporige ethiek echter raken we het spoor bijster, zo lijkt het. In de visie van Postma is het de Ander die de dwarsligger representeert voor het Zelf en krijgen de tast en het tastzintuiglijk geheugen een prominente rol. Het belang om aangeraakt te worden, niet als object maar als een voelend lichaam, is in mijn ervaring onmiskenbaar aanwezig in een relationele zorg. De ervaring en de (h)erkenning van het geboren zijn als de Ander, zich uitdrukkend in het Verlangen. Voor Postma grijpt het verlangen terug op het een­zijn voor de geboorte en is daarmee oninvulbaar. Voor mij is dat een heel mooie gedachte. Het gaat er dan niet om dat ik altijd iets moet oplossen of genezen, maar dat ik er mag zijn als de ander en dat tegelijk de ander er voor mij is. Ik heb veel ouderen op mijn spreekuur gehad waarbij dat gebeurde en ik mij daarna afvroeg wat ik in de status moest schrijven. Dat is een kwaliteit van zorg die niet te meten is, maar evident voel­ en leefbaar is, zoals ik heb laten zien in het filmpje van het ‘still face’­experiment. Ik denk dat ook empathie als natuurlijk gegeven een dwarsligger is tussen deze rails en cruciaal bij het wegen van conflicterend belangen in de zorg. Kunnen we ons verplaatsen in ‘het anders zijn’? Is er een gemeenschappelijk begrijpen van een beperkte autonomie? Hebben we respect voor vrijheid binnen het speelveld waarbinnen iemand in staat is om autonoom te zijn? Bijvoorbeeld in de casus van de Groningse postbode die ondanks zijn dementiesyndroom graag iedere ochtend zijn ronde wilde lopen, buiten
“Het gaat er niet om dat ik altijd iets moet oplossen of genezen, maar
dat ik er mag zijn voor de ander en dat tegelijk de ander er voor mij is”

Kwaliteit van zorg: wie mag het zeggen?


de veiligheid van het verpleeghuis. Hoe ga je hiermee om? Wat als
hij valt? Het verpleeghuis en de familie kwamen samen tot goede afspraken. In de praktijk van de zorg zijn dat vaak moeilijke afwegingen en daarom is het morele begrip ‘responsiviteit’ zo belangrijk. We moeten voortdurend observeren wat er bij de ander gebeurt als gevolg van ons gedrag en dat zonodig bijstellen. Stoplichten voor reflectie, zowel in de curatieve als in de langdurige zorg. Dat moet een kenmerk in de verantwoording van kwaliteit zijn. Empathie in de zorg betekent niet dat twee mensen zich zielsverwanten moeten voelen – het betekent dat ze een persoonsrelatie aangaan en elkaars angsten, behoeften en verlangens uit elkaar weten te halen. Vanuit die positie kan een wederzijdse zorg ontstaan die sensitief, verantwoord en responsief is. Michael Slote stelt de empathie centraal in zijn The Ethics of Care and Empathy. Dat is niet anders dan in de ‘holding environment’ van Winnicott en vindt zijn oorsprong in een natuurlijke zorg zoals die van Noddings en Postma. Je kunt empathie niet meer leren wanneer het in de eerste levensjaren verprutst is, je kunt het wel afleren zoals ik helaas vaak heb vastgesteld in medische opleidingen. De vraag is hoe dit uitgangspunt kan worden geïmplementeerd in de (professionele) zorg. Dat is nu niet makkelijk voor de mensen die de zorg uitvoeren. In de visiedocumenten van de zorginstellingen en in de kwaliteits­kaders van de gehandicaptenzorg en de ouderenzorg staan de twee luiken die ik beschrijf maar op de werkvloer en in de verantwoording ontbreekt het aan een duidelijk spoor. De verantwoording gaat steeds over geld en wat er in de behoeftegerichte zorg, het normatieve kader, goed en vooral niet goed gaat in het onderhouden van het lichaam. Het mislukte zorgleef­plan in de ouderenzorg gaat over het hoe en niet over het waartoe, laat staan het kennen van de persoon in de relatie. Kennen niet in normatieve zin, zoals leeftijd, ziektes, hobby’s, maar in narratieve zin, in een dynamische relationele zin waarin beiden zich kwetsbaar voelen. Wat zijn de puzzel­stukjes van identiteit die nu relevant zijn voor deze persoon? Wat we moeten doen is een ruimte scheppen, een ‘holding environment’, in fysieke en psychologische zin. Wat in die presentie, in het gegeven van het zijn, tussen de persoon die zorgt en de persoon die verzorgd wordt ontstaat, is niet aan te leren, is niet te tellen. Het gebeurt vrijwel automatisch in een interactie van moment tot moment. Om te eindigen met Gosse Postma: zo is de ‘goede’ verzorgende, de ‘goede’ arts, de ‘goede’ verpleegkundige niet alleen de vakkundige, maar ook de zorgkundige in een Wederzijdse Zorg die het ethische – dus vertrouwde – leven betekenis geeft.

uit: Kwaliteit van zorg: wie mag het zeggen?

De lezing is een initiatief van het Centrum voor Ethiek en Gezondheid (CEG)